Brengster van licht

Brengster van licht

10 december 2019

Precies negen maanden na de onheilstijding was haar moeder overleden. De onbevlekt ontvangen indringer was ontdekt op de langste dag van het jaar. In de grauwe maartmaand daarna was hij voldragen. Het sterven was kalm gegaan. Zoals zo vaak gebeurt was haar moeder in het holst van de nacht vertrokken.

Nog altijd kon Marjon zich
verwonderen over het feit dat ze precies had geweten dat het moment aanstaande
was. Zittend naast het sterfbed had ze gemerkt dat haar ademhaling veranderde.
Ze was opgestaan en had iedereen in huis wakker gemaakt. ‘Het is tijd’ had ze
gezegd. Toen ze rond het bed stonden had haar moeder de laatste adem
uitgeblazen. Het had gevoeld als haar eigen adem.

Droom

Die lijdenstijd lag al ver achter
hen. Bijna ongemerkt was de periode van rouw weggeëbd en verzonken in de tijd.
Weliswaar hield ze de herinnering aan haar moeder nog altijd levend, maar
daarbij gingen haar gedachten vrijwel altijd terug naar hun leven voor de
ziekte. Gelukkig maar. Vreemd genoeg was het een andere gebeurtenis op de
sterfdag van haar moeder die veel dieper in haar geheugen was gebrand. Ze had
namelijk diezelfde nacht gedroomd. En hoewel die droom alle kenmerken van een
nachtmerrie had, moest ze altijd weer glimlachen als ze er aan terug dacht.

In die droom wandelde ze met haar
dochtertje door een drukke winkelstraat. Ze was zich half bewust van witte
gedaanten die hen leken te volgen. Voor hen liep een vrouw die zich in een
griezelig vertraagde beweging naar hen omdraaide. Ze keken plotseling recht in
de ogen van haar eigen moeder. Ze trok een grimas, die hen terug deed deinzen.

Toen zag ze tot haar verbijstering
hoe haar moeder en dochter niet alleen op elkaar leken, maar dezelfde persoon
schenen te zijn. Alsof ze elke seconde van plaats en tijd verwisselden: oma,
kleindochter, oma, kleindochter. Verschrikt sloeg ze haar handen voor de ogen
van het kleine meisje, als om te vermijden dat de blikken van oma en
kleindochter zich aan elkaar zouden vastzuigen. De witte gedaanten raakten
ondertussen in paniek en gebaarden hen snel door te lopen. Maar dat lukte niet.

“Mama”, fluisterde Marjon, “je bent toch dood?” Ze wist het toch echt zeker, haar moeder was dood. Sinds vandaag. Net zo zeker als dat ze wist dat ze zelf helemaal geen dochter had.

“Ik ben de enige die echt bestaat”, dacht ze dromend

Op hetzelfde moment grepen oma en kleindochter elkaar vast en zoenden ze elkaar op de wang. Terwijl de witte gedaanten riepen dat dit niet de bedoeling was, zag ze tot haar ontzetting hoe oma en kleindochter via elkaars wang in elkaar vervloeiden. Ze wilde haar dochtertje nog grijpen, om haar te redden uit de handen van haar dode moeder, maar ze was te laat.

Schreeuw

Machteloos moest ze toezien hoe haar
vervloeide dierbaren werden meegevoerd door de witte gedaanten. “Het is
volbracht” zongen ze nog, alsof ze blij waren met de afloop die ze juist hadden
willen voorkomen. Marjon schreeuwde, en van haar eigen steeds luider klinkende
kreten was ze wakker geschrokken.

Haar man was inmiddels natuurlijk
ook klaarwakker. In zijn halfslaap had hij haar getroost. De schrik van de
schreeuw en het overlijden van haar moeder had hen beide verward. Marjon
herinnerde het zich nog precies. Het troosten was overgegaan in vrijen. Ze had
er bij gehuild. Haar man had de tranen in een mix van tederheid en opwinding
van haar wangen gezoend. Ze proefde nog altijd het zout op haar lippen. Alsof
niet het zaad, maar het zout haar had bevrucht, had ze later gedacht.

Lucy

De volgende ochtend had hij gevraagd
of ze zich herinnerde dat ze een naam had geroepen. Verbaasd had ze hem
aangekeken: “Een naam? Toen ik zo lag te dromen?” “Ja, je riep Lucy. Eerst heel
onduidelijk. Je klonk hol. Een soort oerkreet. Ik moest natuurlijk zelf ook nog
wakker worden… Maar de derde keer verstond ik het pas.” Toen had ze het zich
weer herinnerd: “Ik droomde dat we een dochtertje hadden. Blijkbaar was dat
haar naam.”

Maar dit alles was inmiddels lang
geleden. Vijftien jaar en negen maanden om precies te zijn. Vandaag was Lucy
namelijk jarig en ook gingen de dagen weer lengen. Ze hadden de traditie deze
dag met z’n drieën te beginnen op het grote bed. Haar man en dochter maakten
altijd het ontbijt klaar en droegen het plechtig naar binnen terwijl Marjon
rozig wakker mocht worden.

En al die jaren was ze blijven dromen. Vaak vertelde ze die aan haar man. Soms konden ze er wat mee. Meestal niet. Dat maakte niet uit.

De verhalen waren de moeite van het vertellen waard. Met of zonder duidelijke betekenis.

Zoals alle verhalen dat zijn: gewoon verhalen die het leven kleur geven. En het slapen. Want al dromend leefde ze ’s nachts haar tweede leven.

Fietsen

Ook vannacht, de nacht van
zonnewende, droomde ze weer. Samen met haar moeder fietste ze door een weids en
heuvelachtig landschap. In de afdaling keek ze om. Waar was haar moeder
gebleven? Die fietste toch vlak achter haar? Dan realiseert ze zich dat haar
moeder al heel lang dood is. Niet haar moeder, maar Lucy fietst achter haar. Op
hetzelfde moment ontdekt ze dat ze niet meer daalt, maar juist tegen een heuvel
op fietst.

Ondanks dat ze nu stijgt gaat ze
niet langzamer. Integendeel. Ze gaat veel te hard. Voor haar ziet ze de top
opdoemen. Tot haar schrik ziet ze dat het geen gewone top is, maar een afgrond.
“Ik word gelanceerd”, denkt ze, “Ik ga te pletter vallen.”

Het volgende moment hangt ze in de
lucht en tot haar verbazing merkt ze dat ze niet valt. Ze zweeft. Zonder iets
te doen hangt ze vrij in de lucht. Een gevoel van euforie maakt zich van haar
meester. Ze tuurt in de diepte onder haar. Waar is Lucy? Als ze weer opkijkt ziet ze dat haar moeder
weer naast haar fietst. Of is het toch Lucy? Ze weet het niet meer. De
lucht is opeens aardedonker, als een verduisterd heelal. “Het is Kerst”,
realiseert ze zich, “ik moet kaarsen aansteken.” De kaarsen zweven om haar
heen, terwijl ze samen nog altijd in het luchtledige fietsen, de heuvels ver
onder ze.

Ze kijkt weer naar haar moeder. Om
haar heen zijn de dansende kaarsen veranderd in schitterende diamanten. Ze
weerkaatsen al het spaarzame licht dat in de donkere nacht doordringt. Als ze
begint te zingen wordt ze wakker van haar eigen stem.

Naast haar bed staat Lucy. Ze draagt een dienblad met het ontbijt. Er staan brandende kaarsen op.

“Je lag te zingen” zegt ze.
“Echt waar?”
“Ja. Lucy in the sky with diamonds.”
“Klonk ‘t mooi?”
Haar dochter glimlacht.
“Nee. Ontzettend vals… maar wel heel lief.”


Marco de Wilde, directeur-bestuurder van woningcorporatie Veluwonen en bestuurslid (penningmeester) van het Dominicanenklooster Huissen.

Foto: Betty van Engelen